Utrecht Manifest

timeline
update
UM2 - 05 juni 2014

Max Bruinsma over Utrecht Manifest 2

Ed Annink, intendant van Utrecht Manifest 2, overleed in 2012 op 55-jarige leeftijd na een ziekbed. Max Bruinsma werkte als redacteur en vertaler nauw met hem samen voor de biënnale van 2007. We vroegen Bruinsma om terug te blikken op de deze tweede editie, die als thema Duurzaamheid had. Welke beweegredenen lagen ten grondslag aan de keuze van het thema en de programmaonderdelen?
EdMaxCaptein_th.png
Ed Annink en Max Bruinsma met oorkonde van Leipziger Buchmesse, Café Captein, Amsterdam, maart 2011. Foto: Rein Jansma
×

Max Bruinsma over Utrecht Manifest 2

Ed Annink, intendant van Utrecht Manifest 2, overleed in 2012 op 55-jarige leeftijd na een ziekbed. Max Bruinsma werkte als redacteur en vertaler nauw met hem samen voor de biënnale van 2007. We vroegen Bruinsma om terug te blikken op de deze tweede editie, die als thema Duurzaamheid had. Welke beweegredenen lagen ten grondslag aan de keuze van het thema en de programmaonderdelen?

Hoe raakte u bij UM2 betrokken?

Ed Annink betrok mij bij Utrecht Manifest. We hadden al intensief samengewerkt, onder andere aan mijn tentoonstelling voor ExperimentaDesign in Lissabon, Catalysts!, in 2005. Dus toen hij zocht naar enerzijds een sparringpartner en anderzijds iemand die redactionele en vertaaltaken kon doen, vroeg hij mij.

Hoe kwam de structuur van het programma tot stand?

Ed had twee kanten: een enthousiasmerende, visionaire, inhoudelijke kant, en direct daaraan gekoppeld een heel strak organiserende kant. Hij was niet voor niets medeoprichter van een groot ontwerpbureau. Wat ik me van de opzet van het programma voor Utrecht Manifest 2 herinner is dat Ed het evenement in heel specifieke projecten onderverdeelde, zodat hij per project financiering kon zoeken. Hij begon pas met mensen in te huren en hen te zeggen wat ze moesten doen, op het moment dat hij de financiering rond had. Hij zei: “Als je daarmee wacht totdat je de financiering van het hele evenement rond hebt, dan hou je veel te weinig tijd over om het echt te máken.” Hij had een zakelijke ‘salamitactiek’ bedacht die hem in staat stelde om alvast met de belangrijkste dingen te beginnen, voordat het hele programma rond was.

U stelde met Ed Annink en Laura van Uitert het boek Lovely language samen. Dit boek had de intentie materiaal te verschaffen voor de discussie over visuele communicatie van de toekomst. Kunt u hier meer over vertellen?

Lovely Language – de tentoonstelling en het boek – kwam direct voort uit een eindscriptie die Laura van Uitert als student grafisch ontwerpen gemaakt had. Ze was stagiaire bij Ontwerpwerk geweest, en haar afstudeeronderzoek ging over Gerd Arntz en Otto Neurath, de ontwerpers en ontwikkelaars van Isotype. Dat was het startpunt voor een analyse van hoe het veld van informatievisualisatie zich verder ontwikkeld heeft.

Ed gaf haar de gelegenheid haar basispremisse verder uit te werken. De tentoonstelling is voor een groot deel gebaseerd op haar research, die we vervolgens hebben uitgebreid. Het boek ging gelijk op met de tentoonstelling.
↬ Max Bruinsma over Lovely language

Hoe valt Lovely Language te koppelen aan Utrecht Manifest als biënnale voor social design?

Ik denk dat Ed Annink en ik het erover eens zouden zijn dat kennis een essentieel aspect van duurzaamheid is – en dan komen we weer terug op het ideologische uitgangspunt van Otto Neurath. Hoe breder de kennis over duurzaamheid verspreid wordt, hoe beter het maatschappelijk discours erover van de grond komt. Om dat soort kennis breed te verspreiden, zijn visuele talen effectiever dan verbale talen, niet alleen omdat ze taalbarrières overschrijden, maar ook omdat ze voor veel meer mensen op een veel directere manier de belangrijkste aspecten van het discours kunnen samenvatten. Vandaar ons – en Neurath's – motto: 'words divide, images unite.'
↬ Max Bruinsma over Neurath

Kwam het idee van een universele beeldtaal in 2007 niet over als naïef?

Er zullen altijd mensen zijn die zeggen dat je de wereld zo niet gaat redden, maar ik heb die kritiek destijds niet gehoord. We kregen wel de kritiek dat we het discours modderig maakten door appels en peren met elkaar te vergelijken, namelijk hardcore visuele statistiek en even hardcore visuele interpretatie. Want wat heeft iemand die in logotaal een politiek of maatschappelijk commentaar levert, te maken met iemand die met pictogrammen een bewegwijzering maakt? Disciplinair gezien zijn dat heel verschillende werelden.

Nou, zeiden wij, ze maken gebruik van dezelfde taal. Zoals je in het Engels zowel een gebruiksaanwijzing als poëzie kunt schrijven. Dat zijn verschillende genres, maar in hetzelfde Engels. Het aardige is dat de taal die grote verschillen faciliteert. Een van de dingen die we met het boek Lovely language wilden laten zien, is dat beeldtaal echt taal is. Je kunt er eenduidige mededelingen in doen, maar ook buitengemeen poëtische speculaties.

Wat omvat een universele beeldtaal eigenlijk? Het is zo’n abstract gegeven.

Elke taal ís een abstract gegeven, dat is het interessante eraan. Wanneer is iets een taal? Simpel gezegd als een tekensysteem ook echt een systeem is, met grammatica en syntaxis. De visuele elementen van die taal vervullen daarin een relatief eenduidige functie. Of, anders gezegd: de taal biedt als structuur een mal om betekenisloze elementen betekenisvol bij elkaar te brengen. Een letter is op zich een betekenisloos teken. De manier waarop je die tekens samenbrengt in een systeem dat zegt: dit samenstel is betekenisvol en dat niet, maakt dat een taal leesbaar wordt.

Iets vergelijkbaars kun je projecteren op beelden. Neurath en Arntz probeerden een pictogrammatische beeldtaal te maken waarin elk teken heel simpel – bijna als een letter, karakter of hiëroglief – een concept samenvat. En als je dat op de juiste, talige manier ordent, dan is het vrij eenduidig leesbaar. Je kunt altijd interpretatieverschillen hebben, maar uit de zin ‘de zon schijnt en het regent niet’ kun je heel veel afleiden, behalve dat het regent of dat er wolken voor de zon hangen.

Heel veel van taal gaat niet zozeer over een eenduidige betekenis, maar dat de betekenis van een zin een hele range van mogelijkheden uitsluit. Als ik zeg: ‘het regent’, dan kan het warm of koud zijn, dan kan ik het leuk vinden dat het regent, of er juist ontzettend van balen. Veel ligt open, maar één ding is duidelijk: de zon schijnt niet. Zo kun je ook met beeldtaal schrijven, niet alleen met pictogrammen, maar ook met beeldcultuur in het algemeen. De leesbaarheid van het culturele commentaar is afhankelijk van de tijdsgeest. Case in point is 'Chokolate' van Frederico Duarte uit 2005.
246a_th.png

Voor een goed begrip van dit kleine 'visual essay' moet je beseffen dat de Irakoorlog toen dit beeld werd gemaakt nog niet zo lang geleden was. Mensen herkenden de vorm van een kruisraket meteen, ook al is hij nagemaakt van partjes van Nuts, Bounty, Snickers en meer van zulke repen. Duarte suggereert met die vorm eigenlijk dat deze zoete snacks een soort massavernietigingswapens zijn.

Andere beeldtalen zijn aanzienlijk eenduidiger, omdat ze dat moeten zijn, zoals de symbolen van A Safe Place, een beeldtaal bedoeld voor humanitaire doeleinden, bijvoorbeeld in vluchtelingenkampen. Die pictogram-taal is gebaseerd op gedegen onderzoek, al vonden de ontwerpers Gert en Derk Dumbar dat er nog veel verfijning nodig was voordat het echt inzetbaar was.

Kunt u meer vertellen over A Safe Place?

Ook al was het een nog niet geheel uitontwikkeld systeem, wij vonden dat A Safe Place een heel belangrijke tentoonstelling en onderdeel van Lovely Language was. Het maakte deel uit van hetzelfde concept. We wilden een tentoonstelling die de geschiedenis van het zoeken naar beeldtalen om concrete informatie – datavisualisatie – weer te geven, inzichtelijk maakte. We zoomden in op één project dat daar een heel goed hedendaags voorbeeld van is: het project A Safe Place van vader en zoon Dumbar.

A Safe Place is hardcore taligheid in de zin van: ‘hier is het, en niet daar’, en het is daarbij heel duidelijk wat ‘het’ is. Hier krijg je eten, daar moet je je melden om in te schrijven, daar dreigt gevaar, dit water moet je niet drinken. Daar mag geen tweeduidigheid over bestaan. Je zou het in de plaatselijke, officiële taal kunnen schrijven, maar zeker in vluchtelingenomgevingen heb je mensen met dialecten of die überhaupt niet kunnen lezen. Dus dan werk je met symbolen, want ‘images unite’, nietwaar?

Er werden tijdens UM2 drie documentaires vertoond, onder de titel Endless Inspirations. Ook waren er satellietprogramma’s. Kunt u daar meer over vertellen?

Voor Ed waren die documentaires een mooie mogelijkheid om zijn fascinaties naar een groter publiek te kanaliseren. Ed was iemand die zeer actief en breed om zich heen keek en voortdurend dingen verzamelde. Niet alleen omdat hij iets leuk vond, maar ook echt vanuit de motivatie dat meer mensen het moeten zien. In die zin wilde hij een inspirator zijn. Niet zomaar iemand die informatie overbrengt of een event organiseert, maar die echt vanuit een passie op dingen wil wijzen die belangrijk, interessant of mooi zijn. Dat zie je terug in het filmprogramma.

Voor een satellietprogramma in samenwerking met het Centrum van Beeldende Kunst Utrecht werd Isotype, de beeldtaal van Neurath en Arntz die het vertrekpunt van de tentoonstelling Lovely Language was, over de hele stad verspreid. Dat gebeurde met posters, niet als historische illustratie, maar op een eigentijdse manier vormgegeven.

Jullie stelde UM2 het duurzaamheidsdilemma centraal. Waarom? Wat is het duurzaamheidsdilemma?

Het project A Durable World wilde daar een antwoord op geven. Je kunt het op heel veel verschillende niveaus over duurzaamheid hebben. Van het simpele ‘het moet lang meegaan’, naar een iets genuanceerder ‘als het niet zo lang meegaat, moet het geen onafbreekbaar afval opleveren’, tot noties van totale recyclebaarheid.

Uiteindelijk kom je bij een subtiele discussie over de complexe samenhang tussen materialen, productiewijze, energielast, transportkosten, distributiekosten, consumentengedrag, infrastructuur voor de productie maar ook voor het terughalen en recyclen, et cetera, et cetera. Daar kun je weer een dozijn stappen in bedenken die allemaal onderling verbonden zijn en bovendien cyclisch georganiseerd.

Probeer dat maar eens in beeld te brengen! Ik weet zeker dat je daar niet in een middagje mee klaar bent, dankzij al die onderlinge verbanden. Alles hangt van al het andere af. Als je echt diep kijkt naar wat we nu eigenlijk bedoelen met duurzaamheid of als je de consequenties daarvan echt serieus neemt, stuit je op extreem complexe structuren...

Wat hield de tentoonstelling A Durable World in?

Ed Annink vond A Durable World erg belangrijk. Hij was iemand die zowel die relatief simpel te begrijpen buitenkant wilde laten zien, als dat zodanig doen dat je in principe ook een gevoel krijgt voor de complexiteit daarachter. Dat was denk ik zijn ambitie.

De tentoonstelling A Durable World werd helaas niet gerealiseerd zoals hij graag wilde. De gedachte was om een aantal bestaande producten te nemen en tot in het kleinste detail uit te rekenen hoe duurzaam ze zijn. Daarbij werd niet alleen gekeken naar het gebruikte materiaal, wat relatief makkelijk is, maar ook naar de kleinste onderdelen en processen.

Je kunt een product geheel duurzaam ontwerpen, maar de materialen kunnen niet duurzaam geproduceerd zijn. Ze kunnen renewable zijn, maar als ze onder heel slechte arbeidscondities verworven worden, dan is dat een forse min voor je duurzaamheidsdoelstelling. We hebben deels samengewerkt met FLEX, een ontwerpbureau dat zich daarin specialiseert en bezig was met een documentaire mapping van alle aspecten van duurzaamheid. Dat bleek zo complex te zijn dat dat niet binnen het tijdspad van Utrecht Manifest 2 paste.

Het had een tentoonstelling moeten worden waarvoor bijvoorbeeld de iPod of de Ford Model U, een conceptauto waarvan Ford beweert dat hij volledig cradle-to-cradle bedacht is, doorgerekend werden. Andere voorbeelden waren brandnetel als grondstof voor textiel. Dat klinkt heel duurzaam – die was er denk ik ook redelijk goed uit gekomen – maar als je er op inzoomt, merk je dat er flink wat addertjes onder het gras zitten. We wilden niet het hele discours rond cradle-to-cradle weerleggen, maar nuanceren: dit is iets wat we moeten willen, maar we moeten niet vergeten dat het ongelooflijk ingewikkeld is.

We zijn dus zelf op die complexiteit gestuit. Het bleek niet mogelijk om het in de korte tijd die we hadden echt op detailniveau, op de resolutie die vooral Ed graag wilde hebben, uit te zoeken. De tentoonstelling hebben we daarom laten vallen.

Was Utrecht Manifest 2 volgens u geslaagd?

Ja. Ik denk dat de tentoonstellingen en het boek in het algemeen hebben bijgedragen aan meer bewustzijn rond het probleem van duurzaamheid en hoe je het in het discours erover communiceert.

Daarnaast heeft het boek Lovely language een goede pers gehad. Ed en ik waren extreem trots dat het niet alleen een accolade kreeg als best verzorgde boek van Nederland, maar zelfs als een van de ‘Schönste Bücher aus aller Welt’ op de Leipziger Buchmesse.
EdMaxCaptein_th.png
Ed Annink en Max Bruinsma met oorkonde van Leipziger Buchmesse, Café Captein, Amsterdam, maart 2011. Foto: Rein Jansma

We hebben erg veel reacties op het boek gehad, waaruit mede bleek dat de bekendheid van Neurath en Arntz wat aan het slijten was. Daarom is er een direct vervolg gekomen in de vorm van een boek en website over Gerd Arntz.

Die site maakt als eerste een bijna complete verzameling van de ongeveer 4000 pictogrammen en illustraties die Arntz in het kader van Isotype maakte, publiekelijk toegankelijk. Dat archief zit in het Haagse Gemeentemuseum. Ed, Laura en ik hebben voor het boek uren in dat archief gezeten om dingen te bekijken en fotograferen. Het resultaat staat op de website, die deels leunt op de research die we voor Lovely language deden, aangevuld met herinneringen van Arntz' zoon.

Speelt de thematiek nog en is die relevant voor onze tijd?

Ja, dat is een van de miljoen redenen dat ik het doodzonde vindt dat Ed niet meer leeft. Hij was echt een voortrekker. We maakten een boek en een website, maar hij zei dan niet: zo, dat is dat, maar keek direct wat we er nog meer mee konden. Het ligt nu stil, al ben ik aan het nadenken hoe we de thematiek van Arntz’ werk verder kunnen brengen. Er is behoefte naar onderzoek naar hoe visuele talen werken. Een kritiek die we op dit boek hebben gekregen, was dat het oppervlakkig is, dat het zaken heel grof samenvat en nergens de diepte in gaat.

Ik geef ze gelijk, het heeft in de verste verte geen wetenschappelijke pretentie. De enige ambitie die wij hadden, was om een vrij ingewikkeld discours – met een overigens verrassend lange geschiedenis – voor een breed publiek inzichtelijk en toegankelijk te maken. Ik beaam dat er daaronder nog allerlei wetenschappelijke, inhoudelijke vragen liggen die onbeantwoord zijn.

Iets wat in het boek nauwelijks aan de orde is gekomen, is de problematiek van visualisering van Big Data, want dat is een nieuwe ontwikkeling. En het is een heel andere ontwerpopdracht dan zelf actief visualisaties maken. Daarvoor moet je een paar stappen terug zetten. Hoe genereert de data zelf de visualisatie?

Kijkt u als ontwerpcriticus of vanuit een maatschappelijke invalshoek naar de betekenis van datavisualisatie?

Beide. Ik ben aanhanger van Jan van Toorn, die ooit zijn mentaliteit heel precies samenvatte door te zeggen dat "de herkomst en het manipulatiekarakter van de boodschap herkenbaar moeten zijn in de vormgeving". Je moet eerlijk zijn over de motieven waarmee je informatie de wereld in brengt. Parallel daaraan moet je als je naar informatie van anderen kijkt, aannemen dat die informatie biased is. Dat bedoel ik niet per se negatief. Manipulatie is a matter of fact, het is geen geheimzinnig complot, het gebeurt. Het is iets wat je helder wilt maken.

Wat vanaf Neurath meespeelt, is dat inzicht in hoe informatie tot stand komt, hoe het gecommuniceerd wordt en in de symbolische, metaforische en ideologische kant ervan bijdraagt aan het beter kunnen lezen van visuele informatie. Mensen kunnen onderscheid maken tussen een feitelijke mededeling en een ironische variant als het om tekst gaat, maar ze zijn zich er minder van bewust dat dat ook kan spelen in beeldtaal.

Hoe kijkt u aan tegen de hernieuwde populariteit van (al dan niet activistische) infographics op websites en in kranten?

Het is heel belangrijk dat het maken van infographics goed gebeurt. Ik heb me een paar jaar geleden boos gemaakt over een infographic in NRC Handelsblad. Er stond een statistiek in over het aandeel van Marokkaanse jongeren in de totale jeugdcriminaliteitscijfers. De kop luidde: ‘een zesde van de Marokkaanse jongens is verdacht’. Je denkt: mijn God, dat is heel veel. De statistiek laat zien dat op de totale Nederlandse bevolking 4,8% van de jongeren wordt verdacht van een misdrijf, 4% van de jonge autochtonen en 10, 17, 13 en 10 procent van diverse minderheden. Die 17 procent zijn die genoemde een zesde jonge Marokkanen.

We gaan er even vanuit dat die cijfers kloppen. Dan is het aandeel verdachte jonge Marokkanen ten opzichte van de totale groep Marokkanen procentueel veel groter dan van jongeren binnen de autochtone gemeenschap.
Bekijk de ingezonden brief van Max Bruinsma en Ed Annink in het NRC Handelsblad (pdf) ---

Maar de visuele fout van het statistiekje in de NRC is dat het daarin lijkt alsof er veel meer jonge Marokkaanse dan autochtone criminelen zijn. Dat was niet manipulatief bedoeld. Het bijbehorende artikel waarschuwde juist voor zulke hysterie. Maar de krant beging een grote fout in de visuele weergave. Ed en ik maakten een eigen versie, waarin je ziet dat een op de negen jonge misdadigers in Nederland Marokkaans is, terwijl meer dan de helft autochtoon is. Dat levert een heel andere kop op dan ‘een zesde van de Marokkaanse jongens is verdacht’. Je leest in onze versie nog steeds dat ze oververtegenwoordigd zijn, maar we hebben veel meer informatie laten zien en alles in verhouding gezet.

Moet het publiek geschoold worden in het lezen van visuele informatie, zodat men het kaf van het koren kan scheiden?

Ja, maar dan op alle niveaus. Het publiek moet beter leren lezen, hoewel je niet moet onderschatten hoe goed veel mensen in onze cultuur ook zonder opleiding in staat zijn om visuele talen te lezen. Er ligt echter een grote verantwoordelijkheid bij de dataverwerkers en ontwerpers om goed leesbare, visualisaties te maken. De illustratie over jonge Marokkanen is een schoolvoorbeeld van een typische, syntactische fout. Er worden grootheden uit verschillende schalen met elkaar in verband gebracht. Dat kan verwarring scheppen.

De rol van de ontwerper is dus groot en hij kan veel teweegbrengen. Wordt het soms tijd voor een beroepscode, een eed?

(lacht) Nee. Een breed gedeeld besef van hoe dingen werken is beter. Hoe meer mensen in staat zijn om jou op fouten, manipulatie of bedrog te betrappen, hoe minder snel jij in de verleiding komt om over de schreef te gaan. Hoe groter de pakkans, hoe beter.

Ontwerpen gaat vaak onvermijdelijk over kapitalisme – over geld verdienen en massaproductie. Je ziet dat ontwerpers proberen om de ‘positievere’ kanten van hun werk te benadrukken, zoals de bewustwording die het kan teweegbrengen. Is er bij Utrecht Manifest aandacht voor verschillende opvattingen over de rol van de ontwerper?

Het interessante van de geschiedenis van het ontwerpen is dat hij twee wortels heeft. De ene zit verankerd in de industrie, de andere in ideologie, meestal die van het linkse slag. Waarin ze elkaar aan het begin van de vorige eeuw vonden, was de gezamenlijke conclusie dat de manier waarop men tot dan toe te werk ging, niet toereikend was.

Er werd vroeger anders naar de industrie gekeken. Het was veel minder dan nu een kapitalistisch consumptiesysteem. Je kon toen ook denken in termen van het verbeteren van de levens van de massa. De betere producten en levensomstandigheden die volgden uit de mechanische productie kwamen binnen het bereik van grote delen van de bevolking.

Dus die twee kanten – maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid gekoppeld aan industriële massaproductie – vormen de historische roots van design. Dat is zeker na de Tweede Wereldoorlog uit elkaar gegroeid. Maar er zijn voortdurend pogingen om ze weer bij elkaar te brengen, bijvoorbeeld van Victor Papanek in de jaren ’60 met Design for the real world, en het First Things First Manifesto, dat tweemaal is gelanceerd, in 1964 en in 2000. Dat bouwt een discours op, dat nog steeds speelt.

Utrecht Manifest is een mooi voorbeeld van weer zo’n moment waarop gepoogd wordt die twee uit elkaar gegroeide werelden – van industriële productie en maatschappelijke visie – weer bij elkaar te brengen.

De term ‘creatieve industrie’ heeft voor sommigen een negatieve lading. Heeft dat ermee te maken?

Dat is eigenlijk een schaamteloze kaping van het begrip creativiteit door de industrie. Het gevaarlijke aan de verborgen ideologie erachter is dat de creativiteit eigenlijk uitsluitend wordt gezien en beoordeeld vanuit de effecten die hij op omzet, winst en verspreiding heeft, in plaats van op intrinsieke, culturele kwaliteiten. Creativiteit wordt zo steeds meer versmald tot een begrip dat gaat over marktwerking in strikt economische zin.

U zegt dat Utrecht Manifest die twee kanten van het ontwerpvak bij elkaar probeert te brengen. Is ‘industrie’ in die context niet moeilijk te definiëren?

Je moet je inderdaad afvragen wat industrie is. Harm Scheltens, een van de initiatiefnemers van Utrecht Manifest, is iemand die er met zijn onderneming Pastoe middenin staat. Hij komt uit een ‘ouderwets’ soort industrie, namelijk het letterlijk maken van analoge dingen, meubels, die met veel zorg en relatief weinig machines in elkaar worden gezet. Het is geen lopendebandwerk.

Harm vind ik een goed voorbeeld van iemand die denkt dat niet er alleen in de maatschappij veel zaken verbeterd kunnen worden. Misschien heeft ook de industrie een probleem, dat dieper gaat dan omzet en verlies. Dat probleem gaat niet alleen over de vraag of de productie voorziet in een behoefte – ‘is mijn product echt nodig?’, maar ook: ‘wat betekent het feit dát ik produceer voor de maatschappelijke en culturele omgeving waarin die productie plaatsvindt?’ Op direct sociaal niveau: hoe verbind ik mij met arbeiders, maar ook op veel breder maatschappelijk niveau: wat betekent werk überhaupt nog?

Ik weet dat Harm Scheltens heel intensief met zulke vragen bezig is en ik zie ze dan ook steeds in verschillende gedaanten terugkomen in het programma van Utrecht Manifest. Ik zie de biënnale als een bescheiden poging om een bijdrage te leveren aan het agenderen en in kaart brengen van die belangrijke vragen, en het vinden van een begin van een antwoord, hoe tastend ook. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij initiatieven, groepen en mensen die met dezelfde vragen bezig zijn en daar soms heel speculatieve en soms heel praktische antwoorden op hebben.

Deel via:

Twitter Facebook